terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

G a a n   i n   G e s c h i e d e n i s

Waarschijnlijk mede dankzij de immer goedgemutste Swiebertje uit mijn jeugd (een kindertelevisieprogramma uit het begin van de zestiger jaren), heb ik een naïef, romantisch zwerfbeeld. Gewoon gaan waar de wind je brengt, zorgeloos genieten, in het volste vertrouwen dat er altijd wel iemand is, die zich over jou ontfermt mocht het nodig zijn. Maar hoe anders was vaak de intrieste werkelijkheid van een landloper van nog geen drie generaties geleden. Rampen, misoogsten, armoede en ziekte roeiden soms hele families uit en zetten de overgeblevene aan tot de bedelstaf of met wat geluk kon hij of zij de boer op als marskramer en proberen zo het hoofd boven water te houden. De leurders met bederfelijke waar hadden geen vrachtwagentjes met koeling achterin zoals onze huidige cateraars en dus maar een beperkt afzetgebied. Venters van naaigerei, veters, messen en andere langer houdbare loophandel reikten verder. De afstand werd voornamelijk bepaald door de vaste eet- en slaapadressen, waar ze eens in de zes weken weer terug konden komen. Overgeleverd aan de christelijke naastenliefde, waarbij de katholieken meer geneigd waren om op die manier voor zichzelf aflaten te verdienen dan de wat nuchtere protestanten. Bedelaars, die geheel vervuilden, tussen de beesten sliepen en te eten kregen uit een voor hen apart gehouden bakje en die soms zo onder de vlooien, luis en andere bijtertjes zaten die gevaarlijke ziektes als vlektyfus konden overbrengen, dat ze aan hun lot werden overgelaten en dan vaak ook niet erg oud werden. Deze levensgeschiedenissen zijn pure smartlappen. Het liep slecht met je af als je niet meer uit de voeten kon. Als het ’s winters te koud werd, gingen sommigen opzettelijk uit stelen om in het gevang weer een tijdje een dak boven het hoofd te hebben. Maar je had er natuurlijk ook graag geziene gasten bij, nieuwsbrengers, vrolijke charmeurs, die met grappen, sterke verhalen en circuskunsten een van de weinige vormen van vermaak waren. Zoals de marktzangers van het geïmproviseerde levenslied, die vaak ook recente gebeurtenissen becommentarieerde. (Keek op de Week - van Kooten en de Bie /cabaretiers berusten op een lange traditie.) En omdat landlopers op veel plaatsen kwamen, waren het soms ook gewiekste huwelijksbemiddelaars. Ook waren erbij, die smokkelaars hand- en spandiensten bewezen of onder het mom van koekkramer met een rad van fortuin de mensen tot gokken verleidden om zo hun kostje bij elkaar te scharrelden. De anarchisten onder hen waren vaak door het leven murw gemangeld, volkomen onverschillig, ook ten opzichte van hun eigen lichaam. Terwijl ik altijd dacht dat zij de echte vrijbuiters waren, levensgenieters met lak aan alle spelregels en het gezag, zich niet druk makend om een veilige toekomst, enkel in het nu wilden zijn. Het liefst natuurlijk wel met zonneschijn en vogelgeluidjes, vlindergefladder en bloemengeur, dat wel. Ook had ik me nooit zo de sterke rol van godsdienst in het zwerversbestaan gerealiseerd. Daar verwijzen allerlei uitdrukkingen naar. Het schip ingaan, betekent niet alleen dat je geen cent meer te makken hebt, failliet bent dus, maar verwijst ook naar het schip van St. Renuyt dat je naar betere oorden zou brengen, maar nooit aankomt en eeuwig blijft dolen, net als de zwervers en kramers die samen in hetzelfde schuitje zaten. Met carnaval herleven zuipschuit en narrenschip. Beroepen als glazenwasser, schoorsteenveger, postbode en ijsboer zijn de nu nog overgebleven ambulante beroepen.


Op de Mariaschool, verbonden aan het klooster met zusters uit het Zuiden, werd actief carnaval gevierd met een heuse optocht. Ik was verkleed als pindachinees, een schoenendoos met pelpinda’s voor mijn buik, mijn pyjama aan, een lange vlecht op mijn rug en een kegelvormige hoed op van karton. Ik had ze nog nooit zo zien lopen en voelde me een beetje belachelijk, maar kon ondertussen natuurlijk wel af en toe een pinda snoepen en het was toch een stuk interessanter dan boerinnetje met een wijde rok van een oudere zus om mijn middel geknoopt, een luier om mijn schouders en een mutsje van crêpepapier van het jaar daarvoor. Mijn moeder was behoorlijk inventief om met eenvoudige middelen toch al die kinderen mee te kunnen laten doen. Later hoorde ik dat de eerste Chinezen, die de wereld kwamen veroveren, ook echt op deze manier begonnen, in de stad op stations luid roepend pinda, pinda, lekka, lekka. Veel later kwamen pas overal de Chinese restaurants, wasserettes en naaiateliers.


Maar terug naar de ga-geschiedenis. Die was vaak op een of andere manier met godsdienst verbonden, zoals in de Middeleeuwen de dolende ridders, pelgrims en struikrovers. Op pelgrimsreis ging men uit devotie, maar vooral ook als boetedoening voor zijn zonden. Bij het katholicisme stond de zondige gedachte bijna gelijk aan de zonde zelf en kwam daarmee heel dicht in de buurt van verlangen, wat ook erg fout was. Maar wie had dat niet nodig, de troost van verlangen? Ontsnappen in fantasie met helaas daarnaast natuurlijk last van spijt en schuld? Een pelgrimage was een soort van levensverzekering voor na de dood, je verzekeren van een goed hiernamaals. Een aflaat verdienen, een stapje dichter bij God en dat kon je ook doen voor een ander. Zo waren er de beroepspelgrims, die zich lieten betalen door mensen die zelf niet konden of wilden gaan, om zo plaatsvervangend God wat gunstiger te stemmen. Een kwestie van investering. En bij beleggingen weet je immers nooit van te voren of er werkelijke winst wordt behaald. Zo is het altijd al geweest. Als je geld genoeg had kon je dat risico wel nemen en een ander voor jou laten gaan, een stukje Goddelijke aandacht veilig stellen kon nooit kwaad. Er waren ook altijd pelgrims bij, die zo’n tocht ondernamen louter uit nieuwsgierigheid en hang naar avontuur. Tegenwoordig is dat niet anders. Maar de maatschappij is veel individualistischer ingesteld, de meeste mensen denken liever zelf dan zich over te geven aan de zekerheid van alle beperkende godsdienstregels en wetten. Ik vermoed dat veel hedendaagse pelgrims wel op zoek zijn naar een vorm van religieus bewustzijn, spiritualiteit en vooral naar zingeving, maar niet per se binnen deze traditie. Van Santiago-gangers blijkt de meest voorkomende leeftijdscategorie rond de vijftig à zestig jaar te zijn. Het moment van bezinning, wanneer allerlei zaken in het leven vaak al behoorlijk vastliggen; huwelijk, kinderen, carrière. Meestal is er dan nog wel genoeg vitaliteit om het leven een nieuwe wending te geven, een soort laatste kans moment. Keuzes waarop je je moet bezinnen. Een nu of nooit gevoel. De tijd dringt. Vele mogelijkheden zijn al afgesloten. Hiervan afscheid te moeten nemen is droevig als een soort voorbereiden op het steeds dichterbij komende eindpunt, de naderende dood. De pragmatische Westerse mens ziet die dood niet meer als een nieuw begin. Dit bewustzijn van je eigen eindigheid zet eerder aan tot getob.
De verzorgingsstaat vervult nu grotendeels de rol van naastenliefdeverlener. Gastvrijheid in afgelegen gebieden bestaat gelukkig nog steeds, maar de bevolkingsdichtheid bepaalt de mate. De tegenwoordige toerist, die tijdelijk even rondzwerft om al snel weer naar zijn comfortabel huis en dito inkomen terug te keren, koopt zichzelf illusies, wat niks meer te maken heeft met het nomadische leven van zwervers van nog niet eens zo lang geleden. Het is meer een sportieve, relatief goedkope vakantie. En eigenlijk ben ik niet veel anders en maar wat blij om goed uitgerust met water- en winddichte kleding en goede  bergschoenen aan, op pad te kunnen gaan en dat alleen zwerfhonden nog een reëel gevaar kunnen opleveren. Bovendien heb ik met mijn telefoon altijd een hulplijntje. Toch ben ik ondanks deze zekerheden, iedere keer als ik een meerdaagse wandeltocht ga ondernemen, ontzettend zenuwachtig voor vertrek en supertrots na thuiskomst. De risico’s zijn zoveel minder, maar het verlangen en de angsten zijn, juist omdat we het zo ontwend zijn om zomaar een beetje niks tegemoet te gaan, nog steeds dezelfde. 


Als je loopt wordt de wereld naar je zou verwachten, groter. Je bent immers op ontdekkingsreis. Maar in ander opzicht wordt hij overzichtelijker en dus kleiner. Alleen het lichaam telt. Krijg ik geen blaren? Blijven de benen het doen? Kan ik de rugzak nog aan? Waar kan ik overnachten, waar eten kopen? De primaire behoeftes. Daarna komt de directe omgeving, die zowel gevaar als genot kan betekenen. Het weer speelt daarbij een belangrijke rol, vooral ten opzichte van alweer dat kwetsbare lijf. Kan ik mezelf droog en warm houden? Raak ik niet oververhit? Waar liggen de grenzen van mijn zijn? Welke eisen stelt een landschap aan mij? Niet alleen een kwestie van overleven, maar ook van beleven. Wat verandert er in mij als het landschap verandert? Worden er nieuwe zenuwverbindingen in het hoofd aangelegd, onderweg? Wijzigt ook daar het wegenpatroon? Lopend onderweg zijn, vraagt veel van mijn lichaam. In hoeverre kan mijn denken zich losmaken van dat biologische zijn? Ben ik, als hedendaagse pelgrim, slechts een ontdekkingsreiziger op zoek naar zichzelf ?


Het idee van beroepspelgrim sprak me onmiddellijk heel erg aan, een mooie manier van crowdfunding voor mijn project. Als beeldend kunstenaar vind ik het steeds moeilijker alsmaar werk te blijven produceren, dat ik mede dankzij de langdurige economiecrisis en de nu heersende pandemie nauwelijks nog verkocht krijg en dat de wereld en mijn schuren alleen maar voller maakt. Wel hou ik nog steeds een grote doe-behoefte. Die energie kan ik dan omzetten in lopen. Mijn dagelijks kijken, denken en verwonderen breng ik in woorden, foto’s, tekeningen en beelden samen in een boek. Als beroepsmatige pelgrim kan ik mijn opdrachtgevers op deze manier achteraf mijn blik aanbieden, als troost ,en indien wenselijk, vanzelfsprekend samen met een reine ziel verklaring.
Laat mij uw zondebok zijn en ik draag met rouwmoedig hart al uw zorgen, zonden en twijfels naar verre onbekende bestemming. Anders wil ik u mijn diensten als placebo aanbieden en u op die manier van uw gewetensnood bevrijden. In de praktijk komt het hierop neer, dat u datgene wat uw gemoedsrust kwelt, op papier zet. Ik draag dit de hele reis met mij mee. Aan het eind laat ik het langzaam verdwijnen door het naar keuze:
- bij bestemming te versnipperen en aan de wind mee te geven
- aan een boom te binden en verder aan het toeval over te laten
- te begraven en langzaam laten vergaan
- ritueel te verbranden
De tarieven voor het meedragen en vernietigen zijn minimaal een dag slapen en eten, wat neerkomt op ongeveer 50 euro. Neem hiervoor contact met mij op tejavanhoften@zeelandnet.nl .
U kunt uw bijdrage storten op NL88SNSB0866645268 onder vermelding van Gaan met daarbij ook uw naam en adres, waar het boek naar toegestuurd moet worden.


Ook ben ik, nu corona het mij onmogelijk maakt echt op reis te gaan, beelden aan het maken over pelgrim zijn, over herinneringen en de bedoeling der dingen. Dingen, die al een eigen leven hebben gehad, van alles hebben meegemaakt. Sommige schoenen hebben na hun wandelbestaan nog een tweede leven gekend, onder de gips als atelierhulp of klusschoen, of in stalknechtdienst sterk geurend naar beest. Het zou wel mooi zijn als je door geuranalyse precies te weten zou kunnen komen wat ze hebben meegemaakt en ook waar die schoenen allemaal gelopen hebben en zo hun sporen volgend een geuratlas samenstellen. Er zijn schoenen bij, die totaal versleten zijn, met de afdruk van de voet er nog in na de 2400 km van de GR 5. Schoenen, die bijna uit elkaar vallen en met touwtjes, tape en andere hulpmiddelen de tocht van Gouda naar Rome nog net hebben gehaald. Waar de Afrikaanse klei van de Kilimanjaro nog aan kleeft. Op avontuur in de moerassen van Bali zijn geweest, waar de bloedzuigers zich via de vetergaatjes naar binnen wurmden. Een Zeeuwse vogelaar, in Senegal, Gambia, Turkije en Oost-Griekenland soorten scorend voor zijn persoonlijke spotverzameling. Soldatenkistjes van een man, die op zijn drieëntachtigste nog de vierdaagse van Nijmegen liep, van 40 km per dag. Schoenen gekregen van nabestaanden, nog jarenlang gekoesterd als herinnering aan een gedeelde reis. Of schoenen die er nog als nieuw uitzien, nauwelijks vooruit gekomen omdat de eigenaar vanwege gezondheidsproblemen niet meer lopen kon. De onvoorstelbaar kleine kinderbergschoentjes van de eerste bergwandeling van de inmiddels grote, zware man. Geluk en verdriet, dat je meedraagt of achterlaat. Alles is eraan af te lezen. Ook dit is een bijzondere reis aan het worden met de wandelschoenenverzameling.

Met dank aan alle schoenschenkers en De Rondgangers - Phons Bakx, 2017 Antropodium
teja van hoften, 2021 05 02 Burgh-Haamstede