Als ik mijn ogen sluit, ben ik zo binnenste buiten. Of andersom, ik kan naar binnen en verdwijn via de slokdarm. Ik heb gelezen, dat als je een goed gekauwde spijsbrok bent, je al binnen acht seconden in het bubbelbad van de maag ligt te bruisen. Nu dat toch zo is, geef ik me over. Glip door de sluis. Kruip tussen de darmvlokken en word meegenomen in het bloed. Ik kom in de bronchiën terecht, tot in de longblaasjes. Ik maak celdelingen mee tot op het meest intieme niveau. Mitose, het moment dat DNA wordt uitgewisseld en de chromosomen zich opnieuw rangschikken. Ik beleef het alsmaar weer opnieuw.
Eenmaal buiten herken ik het overal om me heen. Het is het leven zelf.
Als ik wandel of de groente snij voor de soep, in de moestuin en op straat. Vanzelfsprekend komen ze uit mijn handen: de stamcellen, zenuwen, bloedvaten, hersenkronkels. Ze bevolken mijn atelier. Ze geven me het gevoel dat ik er ook toe doe. Erbij hoor. Als stukje natuur zelf ook eentje onder alles ben.