terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

2016 van 29 02 t/m 07 03 Imrama
Dat is de naam van een huisje op Terschelling, waar we als wadgasten een weekje verbleven, maar in het Iers betekent het zeezwerver. Later stond Imrama voor alle verhalen waarin de zee een hoofdrol speelt. Het was er koud, winderig, maar ook prachtig helder en zonnig, nog steeds koud maar dan gewoon een laagje extra om het lijf. Na aankomst in de namiddag meteen even naar het strand waar als in een vertraagde film het stuifzand over de natte vlakte schoof. De eerste dag ’s morgens is het net lang genoeg droog om door de duinen naar de jumbo in Formerum te gaan om met onze rugzakken vol proviand weer terug te kunnen wandelen. Maar ook binnen kon ik verdwalen in de boekenkast, nog nooit heb ik in zo’n korte tijd zoveel gelezen, heerlijk. Van kapitein Rob en het geheim van de Boschplaat tot het verhaal van Norman Levine die zich winterslang verveelt in een klein kustplaatsje in Engeland omdat het dan daar zo goedkoop wonen is. De graanrepubliek, herenboeren, socialisme en anarchisme in Oost-Groningen, de ontwikkeling van gemengde bedrijfjes waar alles nog op spierkracht ging van mens en paard tot de ruilverkaveling, combines en grote monoculturen. Een geschiedenis waar ik nauwelijks mee bekend was, maar het las als een spannend verhaal. Vooral ook omdat er veel foto’s in stonden van de mensen, waardoor je helemaal meeleefde met de rijke en toch socialiste boer, die uit zelfbehoud op zijn idealen terug moest komen en de eenvoudige landarbeider, die in de politiek ging en op cursus werd gestuurd in Rusland en het daar vreselijk vond. En dan de grote hervormer Sicco Mansholt, die uiteindelijk toch toegaf zich vergist te hebben. Boeken over vroeger, over de wadden, wandelen, zeeleven. Fotoboeken, romans en gedichtenbundels, Imrama deed haar naam eer aan. Aan de hand van de wolkenatlas van de KNMI uit 1948 heb ik iedere dag geprobeerd de lucht te omschrijven. De wind beukte de eerste dagen zo hard tegen de ramen, dat de druppels onmiddellijk tot deukjes geslagen werden. Een bijna onzichtbare druip vervormde het landschap achter het glas. De horizon keek gekarteld door de beslagen ruiten. Het vlaggetje van Terschelling, dat op de voorplecht van de balkonbalustrade stond, was door de wind gekort tot een rafelige verticale streep. Het loeien komt met lange aanlopen. Marinus heeft een zandvanginstallatie meegenomen vanuit Petten en schrijft de eerste dag enthousiast; de komende dagen ga ik het bewegende zand vangen. Zo het er naar uitziet niet moeilijk, dat is hier volop aanwezig? Maar waarom dat vraagteken? Wist hij het onbewust allang, nat zand stuift niet. Na een dag van vruchteloze pogingen, de rest van de week samen het eiland verkend, vooral die plaatsen waar het het meeste stuift en de sporen daarvan wel prachtig zichtbaar waren. De zeereep, slufters en stuifketels zijn ook mijn favorieten. Daar waar het landschap continu in beweging is, de natuur zijn gang gaat en jij je alleen nog kunt verwonderen.
Die tweede dag, terwijl Marinus in de koude wind op het brede strand met onwillig zand worstelde, ging ik alleen op pad. Het is hier beter wild wandelen dan op Schouwen, ongehinderd door boswachterangst want je mag overal lopen en door duindoorn en bramen die alleen op kalkrijke bodem gedijen. De duinen hier zijn echt anders. Grote, donkere, bijna paarszwarte ronde plopvormen van soms enkele meters diameter dekken als kussentjes het land toe. Plakkaten oude hei waar op veel plekken fonteintjes verbleekt buntgras uitspuit. Kleurig door de diverse soorten mos en glanzend gele helmsprieten. En de schaal is hier ook veel groter. Hoewel als je een top beklimt je altijd wel iets van menselijke aanwezigheid kunt bespeuren, is er toch een heerlijk groots gevoel van oneindigheid. Als het begint te hagelen ga ik op mijn regencape zitten, trek mijn kop naar binnen en drink daar gezellig in mijn rode tentje een kopje thee. Ideaal zo’n perfect passend huisje. De hagelstenen smelten telkens tot vier druppeltjes, alsof een heel klein diertje met sprongetjes over me heen gehuppeld is. Op het strand kom je de meeste auto’s tegen, omdat de Terschellingers volgens grote borden, net als Sil de strandjutter, het in hun bloed zit het strand op te moeten na de storm. Midden op zo’n bandenspoor bij een smal stuk strand waar de kust afslaat, ligt een klein zeehondje en als ik hem vertel dat dat erg gevaarlijk is daar, draait hij zijn koppie en komt naar me toe geschuifeld. Ik probeer hem de zee in te lokken, maar dat lukt niet. Even later houd ik een auto aan. Zo’n klein hoopje schutkleur zou je toch zo overheen rijden. Als ik achterom kijk, zie ik dat ze gedrieën hem de zee in dragen.

 

Donderdags samen naar het groene strand. Onderweg is het zo nat, dat enkel de hekjes je nog vertellen waar ’s zomers de koeien grazen. Bij de schapenwei aan wadkant klinkt een vrolijk koortje kievieten. Op het terras van de walvis komen musjes op je schoteltje zitten om je koekje te pikken. Als we de enorme vlakte oversteken waar een dun filmpje water over ligt, is het alsof we op water lopen en de hoge duinen eilanden zijn. Verderop doen de uit het zand stekende takjes me fantaseren over hele bomen, ja zelf bossen, ondergrondse sprookjeswerelden waar we net een klein stukje van opvangen. Krijg plannen voor tekeningen en beelden. De volgende dag is het echt binnen blijven en ga ik verder binnenshuis op stap. De knoesten op de houten wanden lezen als babyduintjes, verstuivingsstrepen en hoogtelijnkaarten. Opeens herken ik het ritme, hoe de boom heel fijn geschild afgerold is en de boomhuid zich in een steeds kleiner wordend patroon herhaalt op het multiplex. Dat geeft rust aan de muur. Het is een huisje van smaakvolle soberheid, bewuste keuzes, een degelijke schoonheid. Hoe de wasmachine in het schuurtje steekt en op zo’n hoogte staat, dat je nauwelijks hoeft te bukken en in het schuurtje daar weer bergruimte is. Het is een ruimte, die je niet onmiddellijk door hebt door de in elkaar kruipende inbouwkasten. De keuken voelt als kajuit door de aan drie zijden vierkante ramen en de aan bootinterieur verwante verspringende kleine kastjes. Wie heeft er zo’n dierenvelvloerkleed in de huiskamer, dat oogt als een platgeslagen aquarium vol wuivend wier? En dan het oranje jubelsnoer dat door de nok loopt. Het is een feest om binnen te zijn met alle boeken en het uitzicht op het meer. Maar toch waren we wat blij, dat we de rest van de week weer buiten konden zijn in koude noordooster met motregen, motsneeuw, maar ook knallende warme voorjaarszon en kraakheldere vergezichten. Richting oost naar het stuifgebied nabij het Heartbreak hotel. Mooi hoe je het maakproces herkent, het schuren en polijsten, met hoeveel geduld de wind het landschap heeft doen huiveren tot diepe rimpels. Overhellend zand dat verbrokkelt en op zijn adem weer bijeen geschoven wordt. Het reusachtige zandlichaam, door de zon zo scherp belicht, dat je de korrels nog ziet tussen haar billen. De schaduw van een groep ganzen heuvelt over de duinen. De laatste dag zwerven we doelloos over kraterrand, door de hei, langs het wad, door bos en duin weer terug.De twee dagen daarop bij mijn zusje Carla gelogeerd in Schipborg omdat ik erna een afspraak in Kampen heb, waar ik deze zomer samen met Yumiko Yoneda in de Koornmanspoort ga exposeren en je anders alleen nog maar aan het op en neer rijden bent. En het is altijd fijn er te zijn, ook daar een prachtig afwisselend wandelgebied. Langs de beek met zijn onderhuidse draaikolkjes, die als een soort cellulitis de strakke stroom verstoren. De bossen, bomen met groene voeten. Ook hier erg nat, een vlonderpad en verderop als je je voet uit de zuigende bagger wilde trekken, verloor je bijna je evenwicht. Maar in het klassieke Drents heidegebied ging het goed. Onder de harslucht van wiegende dennen en het hoge geluid van een roofvogelpaartje lagen we in het zonnetje tegen de heuvel op droge dennennaalden. En Marinus? Die sliep.
In Kampen was de ruimte veranderd in mijn hoofd en moest ik me opnieuw aanpassen. Ook is het altijd lastig als je samen exposeert, het voorzichtig aftasten van elkaars wensen en mogelijkheden, maar tegelijkertijd ook voor jezelf opkomen. Dan in Apeldoorn weer omschakelen naar het omaschap terwijl mijn hoofd nog volop met de komende tentoonstelling bezig is. Eenmaal thuis roept de plaatsing van het beeld in Vlissingen en de tentoonstellingen daar omheen al mijn aandacht en kom ik nu, een week later, pas weer in Terschelling aan.