terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

2015 09 09 Welcome to the waterbubble

Zoals overal ter wereld het hemelwater wordt opgevangen in de aarde, verzamelt op eilanden zich dat in grote zoetwaterbellen, die door de zoute kwel bijeen worden gehouden. Tijdens het muziekfestival into the great wide open op Vlieland organiseerde de Satellietgroep (een kunstenaarsinitiatief, dat sinds 2006 de sociale, ecologische en culturele betekenis van de zee onderzoekt vanuit de kunsten en wetenschap - Den Haag) een aantal expedities onder leiding van diverse deskundigen om de relatie mens en water op Vlieland te onderzoeken. Als eerste gingen we op 4 september na een humoristische inleiding van Henry Alles (beeldend kunstenaar - Groningen, tot voor kort verbonden met De PeerGrouP) per fiets door de duinen naar de Kroonpolders onder leiding van Evert-Jan Lammers van Staatsbosbeheer en via de waddenzeekant terug. Omdat ik als slechte fietser tegen de enorme waddenwind in zwalkend nauwelijks vooruit kwam, heb ik weinig van zijn verhalen gehoord en ben halverwege omgekeerd, ook in de wetenschap dat we allemaal het boekje Wetenswaardigheden Boschwachterij Vlieland hadden gekregen en ik dat thuis nog eens rustig kon nalezen. Iedere expeditie vertrok vanuit de Tair (tiny artist in residence) van Henry. Het is een prachtig houten gebouwtje op wielen met een luifel/ tevens zonnepaneel, waarbij je een gedeelte van de wand kunt weghalen en het een soort kraampje wordt. Een deksel uit de vloer getild en je kunt je benen kwijt en hebt een handige tafel en zitplek. Overal opbergruimtes, waar alles wat je nodig hebt, ligt opgeslagen, een knijper of een touwtje, Henry Alles doet zijn naam eer aan. Niet alleen in zijn tijdelijke verblijfplaats, maar ook hoe zijn associaties continu alle kanten op flitsen en hij overal voor open staat. Als hij ergens komt, gooit hij zijn hengel uit en ziet wel wat er later aanhangt. Water is voor hem op zuring kauwen langs de slootkant, ranja aangelengd met pompwater, wereldverkenning voor kleuters, twee emmertjes water halen. Hij sprak met de oudste inwoner van Vlieland, de 98 jarige mevrouw de Boer over water, de was doen met het wasbord, met het vliegtuig naar wal voor ziekenhuisopname. Ik accepteer het nieuwe zei ze en dat is natuurlijk wel een goede manier om in leven te blijven. Boven de luifel hangt een bord station. Toen men Amerika koloniseerde trok de stoomtrein westwaarts. Als ergens water aanwezig was, bouwde je een hut, hing het bord station op en de trein stopte. Niet alleen de trein moest bijtanken, ook de mens heeft behoefte aan een drinkplaats. Dus tegenover het station kwam het bord kroeg. Een lap gespannen tussen enkele bomen, een tafel en een paar banken. Er werd dankbaar gebruik van gemaakt. Daar was ook de afsluiting van Jonmar van Vlijmen ( onkruidenier - Amsterdam). Thee van de zeeden, de zwarte den en de Servische spar. De laatste werd geassocieerd met hoestdrank/kruidig, terwijl de zeeden meer cosmetica gedachtes opriep, iets voor in het bad. De dennennaalden waren na het trekken in een prachtig streeppatroon verbleekt.

Misschien bruikbaar voor een nieuw soort mikado? Jonmar begon zijn verhaal over de diverse ingenieuze oplossingen, die planten hebben ontwikkeld om zich in barre omstandigheden als een zout milieu te kunnen handhaven zoals de externe wateropslag van Ijskruid die als zakjes om de plant heen hangen. Zo ook als halofyt uitgedost gingen we op pad om wild voedsel te vergaren. Van zeeraket, dat zout opslaat in zijn blaadjes en zo via de huidmondjes water kan onttrekken aan de lucht, tot stekelig loogkruid, dat ooit gebruikt werd voor het bleken van de witte was. Van zeealsem tot zeepostelein, muurpeper, lamsoor, zeeaster, duindoornbesjes en rozenbottel. Met behulp van het waterinfuus werd zand en eventuele konijnenpies er afgespoeld. Van bitter tot zoet, scherp of zout, Vlieland herbergt een enorme smaakrijkdom. Voor het voedsel uit de zee waren er twee deskundigen van de waddenvereniging, die ons vertelden over de penseelkrab en de blaasjeskrab. We vonden er een, waarbij je heel goed twee pootjes in wording kon zien, die helemaal opgevouwen klaar lagen om bij een volgende vervelling weer als verse ledenmaten uit te komen. En natuurlijk alle wieren, die zich hechten aan stenen of schelpen maar net als iedere plant voor de osmose afhankelijk zijn van zonlicht en dus naar de oppervlakte, het zonlicht, toe willen en goed moeten kunnen drijven. Daarvoor zorgen de blaasjes van het blaasjeswier, de holle buisjes van het darmwier en de enorme oppervlaktes van de zeesla-achtigen. En alles proefde verschillend. De zeehond hebben we alleen met onze blik gevangen, maar vele plantjes gingen mee voor nader onderzoek. Ook heeft Jonmar het gehad over de opeenvolging van de pioniersplanten. Hoe de wortels van helm aaltjes aantrekken, wat voor zichzelf funest is, maar juist wel de daarop volgende plant een goede voeding biedt. Na afloop trakteerde hij ons op frisblauwe en groengekleurde borrels algenwater, zoute oesters, zoete wokkels en kruidige krukkelsnacks.
Maar nu eerst terug naar het begin. Twee dagen voor het eigenlijke festival kwamen we met de boot aan. Vanaf dat eerste moment waren we gefocust op waterbubbels. De tent gelukkig nog droog op kunnen zetten, maar ’s nacht flitste er onweerslichten, raasde de storm en viel de regen met bakken uit de hemel. De volgende dag, lunchpakketje mee, de ontdekkingsreis van Marinus van Dijke (beeldend kunstenaar – Burgh-Haamstede) voorbereidt. Dat klinkt wel heel tegenstijdig, maar een publiek moet natuurlijk niet alleen iets te zoeken maar ook te vinden hebben. Na een stukje bukbos kwam je heel plotseling en daardoor des ter spectaculair into the great wide open. En wat doe je dan? Je loopt naar het hoogste punt in de wijde omgeving. Via google earth had Marinus thuis al gezien, dat er een enorme stuifketel lag in dat hoge duin. En daar begon hij te graven. Van the great wide open helemaal naar binnen, de aarde in. Op een armlengte diep stuitte hij al op de zoetwaterbel. Toen richting strand, waar hij in de zeereep liggend, met zijn wang tegen het zand gedrukt en zijn arm met het schepje verlengd, nog steeds niet bij water kwam.

De dag van ook zijn presentatie, 5 september, begon weer bij de Tair met een fantasievolle inleiding van Jan de Graaf (stedenbouwkundig ingenieur - Den Haag) over de geschiedenis van de Waddenzee, het werelderfgoed, de vulkaan van Vlieland en antipode-island, dat dwars door de aarde precies tegenover Vlieland ligt. Hoe je vooral moet kijken naar wat je niet ziet, de cultuur van nieuwsgierigheid. En groter moet denken, verbanden leggen die er op het eerste gezicht niet toe doen. Een hypothese als uitgangspunt nemen om niet in schoonheid te verdwalen (uitspraak van Darwin). Ook citeerde hij Nietzsche: alleen lopend kan ik denken en dus gingen we op pad via de ijsbaan van Crucqius. Ja, die van het gemaal in Haarlem, de beroemde astronoom en waterbouwkundige van de Nieuwe Waterweg in Amsterdam, de Haarlemmermeerpolder en uitvinder van de regenmeter, is een geboren Vlielander. Als serieuze wetenschapper van zijn tijd noteerde hij jaren achtereen niet alleen dagelijks de hoeveelheid regen, die was gevallen, maar ook zijn hoeveelheid lichaamsvocht in de vorm van urine. De kleinste details noteren kon soms tot grote ontdekkingen leiden. De anwb-paddenstoel, in lettergrootte en de schuinte van het leesvlak speciaal ontworpen voor de fietser, stuitte op weerstand bij de legerleiding, omdat uit luiheid het geografisch besef van de soldaten zou verdwijnen. Nu is dat alleen maar erger geworden en is de reiziger helemaal blind overgeleverd aan navigatie- en knooppuntensystemen. Bij de Sikkelweg, refererend aan de sikkelvormige paraboolduinen, vertelde Marinus over het fluitend geluid van schuivend zand, dat lijkt op dat van walvissen in de diepzee. Jan wist ons de verticale reikwijdte van water voor te rekenen, dat de wolken maximaal tot 15 km boven ons hangen en het grondwater tot maximaal 5 km diep ligt en laat Vlieland nu net 20 km lang zijn. Henry spreidde zijn armen, kantelde zijn bovenlichaam en daarmee Vlieland en de maat van het schijnbaar onmetelijke werd zichtbaar. Aangekomen bij de vuurtoren vertelde Marinus als zoon van een vuurtorenwachter iets over de blik van de vuurtorenwachter, onder andere tijdens de ramp van ’53 op Schouwen-Duiveland. Even later kregen we een uitgebreide rondleiding van Cees Potiek van waterleidingmaatschappij Vitens bij het waterzuiveringssysteem van Vlieland, die samen met Schiermonnikoog het enige Waddeneilanden zijn, die voor hun waterbehoefte, geheel zelfvoorzienend, geen water van de wal betrekken. Sinds 1952 is er een drinkwaterbedrijf, dat betere kwaliteit kan bieden dan de vroegere grondwaterputten. Je hebt ruw water rechtstreeks uit de grond, maar ook grijs water, dat een beetje gezuiverd is en voor de wc doorspoelen geschikt, maar niet als drinkwater. En zo kwamen we nog veel meer te weten over jong water dat nog zuurstof uitvlokt en dus roest, over marmerfilters die de zuurtegraad neutraliseren, over papier- en zandfilters, waarvan de laatste nooit vervangen hoeft te worden maar wel erg besmettingsgevoelig is. Hoe nu alles met geavanceerde membraantechnologie in snelketelfilters om ons heen stond te pruttelen als in het laboratorium van een alchemist. Een geheimzinnig, rond, trechtervormig gebouw als een omgekeerde vulkaan met strak gepolijste wanden van gerecycled glas. Iets verderop hebben we de uitzichttoren beklommen, met aan drie kanten de zee en aan westzijde het vermoeden van de Vliehors met zijn zandsculpturen, onbereikbaar, onzichtbaar als een ver verlangen dat ik voor een volgend bezoek bewaar. Bewaren maakt verlangen trouwens vaak spannender en onvoldaan groeit hij alleen maar. Dat geeft zin aan het bestaan en lekker iets om naar toe te leven. Het gat en bergje (op zoek naar de waterbel – Marinus van Dijke) in de stuifvallei was nog helemaal intact. Het Marinus water werd door de deelnemers over het algemeen lekkerder gevonden dan het Vitens water, dat diep uit de waterbel was opgepompt. De ondiepe kom, waar Marinus de sporen van de naar beneden stromende regen wilde volgen, was volkomen verwaaid. Maar met behulp van een vergiet en een fles water heeft hij nog wel het principe van de waterzuivering in de praktijk zichtbaar gemaakt, een omgekeerde regenbui. In de zeereep had de stuifkracht van de harde wind de twee strakke kegelvormen in verschillende soorten zand (fijn gelig en zeer grof schelprijk rood zand) afgevlakt tot puddingborsten. Op het betonnen platje van de strandtent hijgden drie föhns een scherpe lijn in het zand terwijl de storm iedere voorbijganger in zandmist zijn benen ontnam. Omdat de mens evolutionair gezien zichzelf slecht aan zijn omgeving kan aanpassen, probeert hij vaak die omgeving te veranderen. Deze zinloze poging wist bij de meesten tot een glimlach toe te ontroeren. Na het avondeten in de zwembadtent, dat dit keer uit heerlijke Indische gerechten bestond, besloten we om 21 uur naar het concert te gaan van de zoon van Fela Kuti. Behalve de rondleiding langs de kunstroute de eerste avond, waarvan mij vooral brainforest -het ringtonenfluitconcert uit de vogelhuisjes van Daniel Maalman en forestgrid -het horizontale bos van laserstralen van Wolf & Bontekoe me zijn bijgebleven, hadden we nog weinig van het festival meegemaakt. Ondanks dat het concert een halfuurtje later begon zat de sfeer er meteen al goed in en stonden er al velen bij voorbaat te swingen. Tijdens het eerste nummer werden we gebeld omdat we moesten verhuizen naar een van de twee legertenten voor noodgevallen omdat een ander, die blijkbaar hoger stond in hiërarchie, ons plaatsje kreeg in de de Waardtent waar we de vorige nacht geslapen hadden. Naarmate we langer op het eiland verbleven, werden de regenbuien en stormen iedere dag heftiger. Ondanks dat we de tent en de luchtbedden thuis even hadden uitgeprobeerd, bleek mijn luchtbed gedurende de nacht heel langzaam leeg te lopen en lag ik ’s morgens op de kouwe grond en het gaatje in de buitentent werd een winkelhaakje en de tweede dag na ons ochtendwandelingetje weer thuis, bleken niet alleen wij doorweekt, maar ook de tent doorgelekt. Met het piesemmertje als hoosblikje de luchtbedden uit het water gevist. Marinus’ slaapzak op verschillende plekken nat. Het groepje kleine koepeltentjes lag als bibberend zeeschuim schuddend op de wind. Het is sowieso een mooi organisch tentenkamp, in alle richtingen wankelend op de vele heuveltjes. Jan de Graaf sliep samen met een ander in een de Waard tent met 3 kamertjes en nog twee bedden leeg. Dus de 3e nacht verhuisden we daar naar toe. Nog steeds streek er ’s nachts een windje langs je gezicht, maar wat een luxe; er waren zelfs een paar stoelen waar we redelijk beschut tijdens de opklaringen van de prachtige wolkenbonken konden genieten en we hadden een waslijntje in de voortent gemaakt om alle klamme zaken te drogen. Maar nu moesten we dus in het donker al onze spulletjes bij elkaar rapen zonder Jan wakker te maken en een plekje zoeken in de aardedonkere legertent, zonder zaklantaarn slechts bij het lichtje van ons mobiel. De legertent stond beschut achter een gebouwtje, maar het zeil zwiepte met veel lawaai telkens tegen de ijzeren stangen van mijn stapelbed. Toen enkele uren later er steeds meer vluchtelingen hun plekje in de tent zochten, wel voorzien van goede zaklantaarns, zag ik dat het dakzeil vlak boven me diep doorhing en ik onder een soort badkuip lag, under the waterbubble. En nu ik dit zit te schrijven, voel ik hoe the waterbubble zich in mij genesteld heeft, niesend en proestend, snipverkouden.