terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

Pelgrimage
12 – 06 – 2006
Een pelgrimsreis heeft een duidelijk doel, ter verering van iets of iemand. Je verwacht wonderen of genezing. Ben ik ziek in mijn behoefte aan lichamelijkheid, geraakt willen worden, ter bevestiging van mijn bestaan? Iedere stap is dichter bij het doel, maar tegelijkertijd ook een afscheid van wat je achter laat. Wat hou ik van Zeeland, zijn wijde winden, het vragende gekwetter van de vogels. Veel vlindertjes onderweg; dagpauwoog, vuurvlindertje, koolwitje, icarus blauwtje en het bescheiden bruintje dat onzichtbaar wordt zodra ze stil zit. Een slootje stijf van kikkerdril. Toen ik bij de Schelphoek de dijk op klom veranderde de geur van vers hooi in dat van bedorven blubber. Het knabbelende geluid van het slik, waarmee het water de pierengaatjes vult. Volwassen kerels in korte broek en emmertje, die de hele kust omspitten, pieren steken echt wel een serieuze bezigheid. Lunchpauze bij de picknickplek van Erik Odinot, een stukje asfalt omhooggetild door een blok keitjes. Toch wel gek om zo van de omgekeerde wereld te eten. Een lepelaar werkte systematisch zijn perceel af, de kop heen en weer bewegend, gestaag door lepelend, baan voor baan. Het uitgelaten speelkartiertjesgeluid van de grote sterns. Nog even de dijk over voor een sanitaire stop met prachtig uitzicht op het grijsgroene, het blauwe en het oranje water bij de inlagen. Een hoestend schaap met hooikoorts. Nog een stukje over verdroogd zeewier te gaan, knersend over de gewoontes in mijn leven. Hoezo vrije keus? Volgend jaar waarschijnlijk nauwelijks moeder meer en waar ik ooit mijn trouwring droeg is mijn vinger bijna dezelfde kleur geworden als de rest. Omgedaan vol toekomstverwachtingen, afgeschoven omdat ze me irriteerde tijdens het werk, vergeten binnen het eenling bestaan van de kunstenaar. Moest toch ook weer aan de geruststellende woorden van Rinie denken; “als je het niet leuk meer vind mag je gewoon weer naar huis komen hoor en kunnen we het later altijd nog eens samen proberen.” Een potpourri van liefdesliedjes stroomt door mijn hoofd.
Om drie uur ’s-middags eindelijk de eerste schaduw van een boom langs de Lokkersweg. Met oververhitte rooie kop, de schoenen uit, even in het gras gelegen tot het kanon me na 4x schrikken wegjaagde.
Het boze geblaas van de knobbelzwaan met zijn warmgrijze jonkies, de fuut met zijn kleine zwijntjes, hele hordes geelgorzen, de prachtig getekende kuifeend met zijn priemende kraaloogjes, zwermen zwaluwen. Ze waren er allemaal bij de sloten tussen Noordgouwe en Dreischor. Gerookte amandelen gegeten bij Tien, gerookte bokking bij Marjan en hoe veel toeval soms je leven bepaalt. Tot bij twaalven in de tuin naar vogels, vleermuizen en sterren kijken.
13 06 2006
Na een goede nacht in een heerlijk bed weer welgemoed op pad met behalve mijn lunchpakket ook nog een centje voor een ijsje mee van Marjan. Eerst even dat mooie gele schelpje op het graf van Ellen gelegd. Bij de molen Aolus (grondzeiler en bovenkruier) nog een schietgebedje aan deze god van de wind om toch voor wat verkoeling te zorgen. Langs kleine asfaltweggetjes, over dijkjes tussen heuphoog bloeiend gras, distels, brandnetels en spinnenwebslierten, het kon me allemaal niet meer zo veel schelen als ik maar een zuchtje kon opvangen. Maar met de verstikkende hitte van 31 graden was het de verdere dag enkel nog afzien. Maar een pelgrim moet lijden. Het ene been voor de andere, verder gaan mijn gedachtes niet meer. Om half 12 pas in Bruinisse i.p.v. het geplande 10 uur. Na wat heen en weer geloop bij het sluisje toch een schipper gevonden, die me wilde overvaren, mensen die een nicht van Miems van Citters goed kenden en me onmiddellijk sponsorden met krentenbol en spa. Ook op het water nauwelijks wind. Schaduw is schaars geworden in Zeeland. Eenmaal bij de Krammersluis afgezet kroop ik dan ook meteen naar de schaduw van de brug.Toen ik eenmaal weer bijgekomen was liep ik naar de uitkijktoren. Maar…….. een zeker 2,5 meter hoog hek met bovenop akelige punten. Erover ging niet, er onder kwam ik met mijn heupen en billen vast te zitten. Er langs, een en al duindoorns. Dan maar een eindje verderop proberen, maar daar stond water. Weer terug zigzaggend over de twee sluizen. Bij een pijler was een ijzeren trap buiten langs, maar hoe kwam ik daar? Zal ik niet terug gaan naar de sluiswachtergebouwen? aanbellen? geen gehoor. En als ik nou eens naar het begin van de brug loop? Via zo’n ijzeren laddertje naar een drijvende vlonder, overstappen op een andere vlonder, een bruggetje over en weer vaste grond onder mijn voeten. Maar ja hoor ook daar weer zo’n groot hek. Voelde me gevangen, bijna claustrofobisch en dat in zo’n weidse omgeving. Een behoorlijk enge plek eigenlijk. Dan maar even de ogen dichtgeknepen mezelf door de duindoorns gewrongen en hè, hè eindelijk kon ik naar de weg toe. Toen ik over de brug aan de andere kant van het eerste hek stond was het precies twee uur later. Toen de eindeloze asfaltweg, naast de snelweg met links weliswaar een fraai uitzicht op de hekrunderen, die tot hun buik toe in het Volkerak, vandaag ook alleen maar water graasden. Van de zwanen zag je alleen nog hun omhoog gestoken kontjes. Het zweet liep in mijn oren, langs mijn nek, rug, tussen mijn borsten, langs mijn armen tot het van mijn vingers af druppelde. Ergens toch een hekje over om mijn petje te kunnen dompelen in flapperige drab. Wellicht geeft het toch enige verkoeling. Een lieve fietser schonk zijn halve waterflesje over in de mijne. Om half zes ’s-avonds het eerste schaduwplekje bij een huis waar ik een halfuur voor pampus bleef liggen en water heb gevraagd eer ik aan de laatste loodjes begon en wat waren ze zwaar. Maar mij door Inge te laten ophalen, dan kon ik nooit zeggen dat ik met eigen benen….
Om half 8 eindelijk bij An en Inge aangekomen in Oud-Vossemeer, kon weinig meer dan me lekker laten verwennen.
14 – 06 – 2006
Na een onvoorstelbaar bourgondisch ontbijt en dito lunchpakket, die nog net in mijn rugzakje paste, bij tijds op pad richting Nieuw-Vossemeer. Een dampend, heiig rivieren landschap, na een nacht vol regen. Mooie bomendijkjes zoals je ook op Zuid-Beveland veel ziet. Het was afgekoeld tot bijna 15 graden en er gingen steeds meer kleren aan. Het werd klammig en na half 12 begon het bovendien te regenen. In Steenbergen in een bushokje uitgebreid geluncht met de eitjes van hun eigen krieltjes, een bekertje verse aardbeitjes, tomaatjes en krentenbollen. Een schattig ventje ging voor zijn moeder telkens kijken of de bus toch bijna niet kwam en kletste de oren van haar hoofd.
Een erg mooie route tot Oud-Gaststel. Bij de Blauwe Sluis opeens heel sterk de geur van zoet water, vermengd met vers gemaaid gras. Dan kreeg je zoiets ouderwets als van de snijbonenmolen thuis. Bovensasweg; dubbelgehoornde schapen, al echt Brabants in deze carnavals outfit. Een kakofonie van geblaat met al die verschillende geiten, schapen en ezels. Er bestaan zelfs schapen met teddy-look. Lekker mee geblaat. Bij de Ruiteweg onder de autoluifel van een paar leraren, dat dienst deed als fietstochtpost voor volkomen verregende, verkleumde scholieren, even een tijdje blijven kleffe. Eigenlijk geen zin meer. Het laatste stuk op het fietspad langs de N541 was ook wel erg vervelend met al het geraas van de spits en de onophoudende regen. Maar het ontvangst bij de vrienden van de fiets was weer fantastisch.
Onmiddellijk kon ik douchen, werden mijn schoenen met kranten gestopt, een föhn voor de natte haren, de blaren doorgeprikt en verzorgd, een pizza besteld en ik kon naar bed.
15 – 06 – 2006
Toch nog even als toerist in de basiliek van Oudenbosch gekeken. Wel erg veel zo’n koekblikjesplafond en al die schilderingen. Het nisje waar alleen een abstract patroon te zien is van geometrische vlakjes gevuld met allerlei marmerpatronen vond ik dan nog het mooist. TIBI DABO CLAVES REGNI CAELORUM = ik geef u de sleutels van het hemelrijk. Wat klinkt latijn toch altijd prachtig en onmiddellijk komt dan ook de hoogmis boven drijven. Van de koster een toeristische folder over de omgeving gekregen en daardoor mijn route enigszins gewijzigd. Een mooi gebied, maar het was flink koud (12 graden nog maar). Het sneeuwlandschap van de met wit plastic afgedekte akker en de donkere lucht erboven deed me huiveren. De hele dag bleef het motregenen en dan die wind erop. Nederland heeft toch een gematigd zeeklimaat?
Door de blaren onder mijn hielen liep ik toch wat te strompelen en heeft een andere lieve wandelaar voor de derde keer de blaren doorgeprikt en me zelfs droge sokken geschonken.
Het is hartverwarmend hoe de mensen op je reageren. Wat dat betreft een heel geslaagd reisje. Maar rond 4 uur besloot ik naar Ettenleur te lopen i.p.v. Breda en naar huis te gaan. Hoewel de weersverwachtingen goed zijn lukt het me niet meer om op mijn tenen door te lopen. Bij de stationschinees even opgewarmd en bijgetankt. Maar in de trein toch teleurgesteld. En het gekke is, ik heb nog de meeste spierpijn in mijn armen van 2 dagen mijn regencape voor me uitdragen opdat mijn knieën niet nat zouden worden, want daar was ooit de wandeltocht van Middelburg naar mijn moeder in Amstelveen in 1982 mee gestrand, die knieën wilden toen niet meer. Een volgende keer toch ook maar de regenbroek mee, dan waren de schoenen niet zo snel volgelopen. De blaren zijn waarschijnlijk toch te wijten aan het soppen in de natte sokken. De volgende keer de trein naar Ettenleur nemen? Of toch weer van huis af beginnen met een iets gewijzigde route en dit als even oefenen beschouwen. Kijken of ik telkens een stapje verder kom. Op eigen benen bij iemand ver weg langskomen; hallo, hier ben ik. Wordt vervolgd………………………………………………......